Sedert enige dagen staan er tal van zwarte vlaggen opgesteld in onze straat. Meer bepaald ter hoogte van de kazerne Kapitein de Wouters op het grondgebied Poelkapelle, net voor je de parochie Vijfwegen (Staden) binnenrijdt. Fedasil wil in de leegstaande gebouwen immers heel binnenkort 25 asielzoekers onderbrengen. De burgemeesters van Langemark-Poelkapelle en Staden gaven hiertoe reeds hun fiat. Na wat aanpassingswerken kan het aantal bewoners nog worden opgetrokken tot 95 en later zelfs naar 200 personen.
Dit alles leidde ondertussen tot een brievenbuspamfletje van het Vlaams Belang, een huis-aan-huis bezoek met de vraag een ‘contra-petitie’ te ondertekenen en nog een actiepamfletje waarbij opgeroepen wordt tot duidelijkheid en informatie.
Een reactie van een, weliswaar anonieme, Vijfwegenaar op een politieke blog stelt het probleem als volgt: “wij de inwoners van vijfwege zijn ongerust met de komst van de asielzoekers voor de veiligheid van ons en de kinderen en dit zonder maar enige voorafgaande informatie alsof we in de gemeente langemark het uitschot zijn en alles maar moeten aanvaarden …”
En ene mevrouw Loyson verwoordt via de pers eveneens haar angst: “jonge gezinnen zullen nu schrik hebben om hun kinderen buiten te laten spelen. Bovendien ligt de bushalte, waar kleine kinderen opstappen, vlak voor de ingang van de kazerne. De asielzoekers zijn zeker niet allemaal slechte mensen, maar er moet maar één iemand met kwade bedoelingen bij zijn…”
Het doet me opnieuw denken aan dat liedje van Willem Vermandere, ‘Bange Blankeman’.
Onwetendheid is vaak een slechte raadgever.
In de week tussen Kerst en Nieuw was ik in Calais. Ik ben er op zoek gegaan naar ‘le jungle’, een klein lapje bos in de wijk Petit Courgain waar eind september 2009 door de Franse politie een vluchtelingenkamp met de grond gelijk is gemaakt. Op vraag van de Britten, doet het verhaal. Het ‘probleem’ werd door de actie evenwel niet opgelost maar gewoon uiteen gescheurd en versnipperd over een veel groter grondgebied.
Na enig zoeken leidt een spoor van plastic en gedumpte schoenen me via smalle paadjes dieper het kale bos in. Een felblauw zeil trekt van ver mijn aandacht. “Hier wordt opnieuw geslapen”, denk ik. Her en der liggen kledingstukken te drogen. Ze zijn niet weggeworpen of achtergelaten bij een razzia. Ze zijn moedwillig opgehangen als aan een waslijn. Wellicht in de hoop dat de laatste zwakke zonnestralen van het jaar ze nog gaan drogen vooraleer de nacht weer invalt. Tal van schoenen liggen netjes per paar en tegen een mogelijke plensbui omgekeerd te wachten op hun eigenaars.
De ironie van een situatie zit soms in kleine dingen: van de aangespoelde ‘Newlander’ is voorlopig geen enkel spoor…




Na de middag rijd ik nog even naar het centrum van Calais. Daar is de Association Salam actief. Een vrijwilligersorganisatie die instaat voor de verdeling van maaltijden en kledij. Maar hun permanentie in de Rue Fulton start pas om 15.30 u. Ik heb geen tijd om te wachten en keer terug naar de jungle in de hoop met enkele asielzoekers te kunnen praten. Her en der kom je ze immers tegen, in groepjes van drie-vier, in donkere kledij en met warme wollen mutsen diep over hun oren getrokken. Ze kennen ondertussen overal goed de weg zo blijkt. Er is een heel netwerk van voetwegels ontstaan tussen de omheinde industrieterreinen en langsheen de talrijke kanaaltjes, beken, spoorwegen, opritten, rotondes en dies meer.
Naast een kanaaltje zitten twee donkergekleurde mannen te keuvelen. In de verte komen er nog een paar af. Wanneer ik tien minuten later te voet terugkeer naar de in onbruik geraakte spoorwegovergang bij het kanaal, is één van de mannen een douche aan het nemen. Het is 6° buiten. Met een afgeknotte plastieken fles kapt hij steeds opnieuw water uit een afwateringskanaaltje over zijn hoofd. Het ritueel blijft maar duren en ondertussen probeer ik een gesprek aan te knopen met zijn vriend, die warm ingeduffeld op de trappen staat. Zijn Engels is heel rudimentair. Ik begrijp dat ze vier maanden geleden vertrokken uit Afghanistan en via Griekenland Europa binnenkwamen. Daarna ging hun tocht verder per auto, richting Frankrijk. Jammergenoeg is de taalbarrière enorm groot. We slagen er niet echt in diepgaand te babbelen. Ik wil hen vragen waarom ze vertrokken, waarom ze persé naar Groot-Brittannië willen, waar hun familie is, wat ze eten, wie hen helpt, wat ze nog van plan zijn, …
Een voorbijrijdende truck trekt hun volle aandacht en een collega uit een driekoppig groepje dat ondertussen arriveerde, lacht luidop en geeft uitbundig commentaar alsof hij de chauffeur (of toch minstens de transportfirma) al jaren kent. Wordt dit zijn gouden ticket naar het Beloofde Land, zijn Newland?



Ik keer terug naar mijn auto via de grindweg tussen het bos en de woonwijk. De omheiningen van de tuintjes zijn inmiddels verbouwd tot ijzeren gordijnen in miniatuur. Het doet me denken aan mijn uitstap in mei van vorig jaar. Aan de toegang van het bos staat een verweerd bord, overschilderd wegens niet meer van toepassing. Wat verder stuit ik op een voederplaats waar hele broden, zo waar nog vers gesneden en verpakt, roepen om gegeten te worden. Alleen begrijp ik niet door wie.



Nog meer foto’s uit deze reportage vind je ook hier.




























































































































Recente reacties